Kathleen
Vereecken










 

 

 

Wreed Schoon

Querido, 2001
+ 12
omslag Marjo Starink

Klik hier voor een fragment

De pers over dit boek

Josephine, de jongste uit een nest van veertien, groeit op in een wereld die bruist van grootse verwachtingen en levenlust. Het is 1921, de Grote Oorlog is voorbij en moet nu maar snel vergeten worden. Geen verhalen over gruwel en ellende meer, geen verhalen over voor altijd gekneusde jongens en hun heldendom. De stille gezichten van het witte doek, dát zijn de nieuwe helden: Rudolph Valentino, Mary Pickford, Lillian Gish.
Dromen en verlangen is mooi, maar een beetje zoete werkelijkheid is ook nooit weg. In het beschermende donker van de cinemazaal zoekt Josephine een 'spekkenlief'. Elke keer opnieuw. Het zijn stille romances, die net zolang duren als het leegeten van een zak snoep. Kort, zoet en veilig.
Tot Josephine Victor ontmoet. Stille ondoorgrondelijke Victor, die gekweld wordt door een oorlogsherinnering en die zo anders is dan alle andere jongens die ze ooit heeft gekend. Beetje bij beetje groeit haar fascinatie voor hem uit tot een obsessie. Alleen voor hém is er nog plaats in haar hoofd, zo lijkt het. Voor hem en zijn Grote Oorlog. En al die tijd broeit onderhuids een ándere oorlog, haar eigen. De onuitspreekbare.

 

Fragment [terug]

Het was op een nacht als deze dat oude Dorus rechtop ging zitten in zijn bed. Hij was al zes uur dood.
Josephine rilt even. De herinnering is haarscherp. Half mei was het, in het zwarte jaar 1919, en het sneeuwde en sneeuwde en sneeuwde alsof iemand daarboven de hele wereld het zwijgen wilde opleggen. Iedereen zag er voortekenen in. De wereld zou vergaan, dacht men. De sneeuw zou vallen tot zelfs de torenspits van de kathedraal helemaal bedekt was, en nog hoger. En dan zou er een nieuwe wereld ontstaan, met nieuw leven. Een wereld zonder herinnering aan de Grote Oorlog. Vergeten de modder van de loopgraven aan de IJzer, een rivier die nooit meer zomaar een rivier zou zijn. Vergeten het moordende gas, de slagvelden, het bloed, de negen miljoen doden, de voor altijd gekneusde zielen van jonge jongens. En de honger, de 'schellekes boeboe' en de stoofpotjes van dakhaas - want zo heetten hondenworst en kattenvlees in de volksmond -, die zo vaak op het menu stonden tegen het eind van de oorlog. Josephine had het met een mengeling van angst en ironisch ongeloof aangehoord. De wereld is er nog steeds, en de herinneringen lijken nu scherper dan enkele jaren geleden.
Als er alleen maar genoeg sneeuw gevallen was om de herinnering aan haar eigen oorlog, de onuitspreekbare, weg te vegen, het was al heel mooi geweest. Ze legt haar hoofd achterover in haar nek, knijpt haar ogen hard dicht, even, en concentreert zich dan op het versnipperde wit tegen de zwarte hemel. De kou brandt op haar gezicht. En ze kijkt. Net zolang tot ze het gevoel heeft dat ze heel snel door de vlokken heen vliegt. Net zolang tot ze dronken is.
Laat de sneeuw branden.
Fijne beekjes smeltende sneeuw lopen langs haar hals haar kleren binnen, maar het kan haar niet deren. Voorlopig niet. Weer naar binnen gaan in de herberg, waar lawaai en rook elke gedachte meteen platslaan, doet ze liever niet. Nog heel even blijven staan en alle wetten van het gezond verstand - en van moeder - negeren.
Die vreemde verrijzenis van Dorus.
Josephine heeft hem gezien. Eng, vooral omdat het juist toen gebeurde. Maar tegelijk had ze erom moeten lachen. Ze had de dood uitgelachen, omdat die niet eens in staat bleek oude mannetjes koest te houden. Ze zou het hem wel eens vertellen als ze hem tegenkwam, dat zielige skelet met zijn stomme zeis. Dat ze niet langer bang van hem was, dat hij mocht dreigen wat hij wilde. En dan ze lachte nog een beetje harder.
Moeder spot nooit met de dood, maar toch is ze niet bang. ''t Is niet van de doden dat ge schrik moet hebben,' zegt ze altijd wanneer iemand huivert bij haar verhalen, 'maar van de levenden. Díé kunnen u nogal de duvel aandoen!'
Ze zoekt de doden zelfs speciaal op. Niet omdat ze het zo prettig vindt, maar om geld te verdienen. De herberg loopt niet slecht, maar ze heeft een gloeiende hekel aan te veel lawaai en aan dronkemanspraatjes. Daarom laat ze het avondwerk af en toe over aan Jules, Maria of Josephine, de enige kinderen die nog thuis wonen, en waakt ze 's nachts bij de doden. Die zijn stil, en dan kan ze in alle rust een stukje borduren of breien. Of zomaar een beetje nadenken en met zichzelf praten over alle dingen waarover ze met de Ouwe níét kan praten. En dat zijn er veel.
Ze is goed met doden, moeder. Maar nog beter met levenden. Ze weet altijd precies die dingen te zeggen waardoor treurende mensen zich wat beter gaan voelen. 'Ik weet zeker dat hij alleen maar een beetje vroeger gegaan is om een schone plaats voor u beiden uit te zoeken, daarboven.' Of, tegen de moeder van een dood kindje: 'Er is daar ergens een speciale hemel, alleen voor kindjes. Het is er veel schoner en klaarder dan in de gewone hemel, en dat wil wat zeggen. Als ge uw kindje wilt terugzien, dan moet ge naar de wolken kijken. Goed kijken, want ze veranderen rap, en gij alleen kunt het zien. Soms alleen een gezichtje, of oogjes, maar soms ziet ge het helemaal. Zolang ge uw kindje af en toe in de wolken ziet, moogt ge gerust zijn: het is daar zeer gelukkig.'
En dan huilen de mensen nog een klein beetje harder.
Die nacht, die sneeuwnacht toen in mei, waakte moeder bij Dorus, aan de overkant van de straat. Josephine werd wakker op het moment dat Zulma, zijn arme vrouw, op kromme beentjes krijsend en klapwiekend met haar magere oude armen de witte nacht tegemoet fladderde. Bang dat er misschien iets mis was met moeder, rende Josephine meteen in haar nachtjapon de straat over, recht het huisje met de dode in. En daar zag ze Dorus. Hij zat half en half rechtop, alsof hij zijn buikspieren wilde stalen. En terwijl hij daar als versteend in die onnatuurlijke houding bleef zitten, maakte Zulma vreemde, wilde danspassen in de sneeuw, haar armen beurtelings om haar borst en ten hemel slaand. Haar gekerm werd gedempt door de doorschijnende muur van witte vlokken om haar heen. Maar toch was het luid genoeg geweest om Josephine en alle anderen die aan de straatkant sliepen wakker te maken.
Moeder, voor geen kleintje vervaard, liet zich niet van de wijs brengen. Ze gaf Dorus een duwtje tegen zijn schouder en sprak hem sussend toe: 'Toe, manneke, leg u maar weer neer. 't Is tijd om een beetje te rusten.'
Dorus ging weer liggen. Zijn romp tenminste. Nu gingen zijn benen de hoogte in. Moeder duwde dan maar de benen naar beneden, maar daar was Dorus' romp alweer. En zo ging het een tijdlang door: moeder almaar meer kracht zettend op stijve Dorus, die als een eiken wieg heen en weer bleef schommelen. Na een tijdje liet ze Josephine Jules, de potigste van haar zonen, erbij halen. Moeder, mollig en rond, ging op Dorus' borstkas zitten, terwijl Jules plaatsnam op de benen. En daar gingen ze, op en neer, en op en neer. Als op de kermis. Het schommelen van moeder en Jules mocht niet baten. Dorus bleef zo krom als een sikkel.
Zulma's gekerm bereikte een nieuw hoogtepunt, zodat waarschijnlijk alle straatbewoners die aan de achterkant sliepen, ook wakker werden. Moeder keek naar Josephine en gebaarde met haar hoofd naar buiten. 'Hij is teruggekomen!' schreide Zulma, terwijl ze haar handen tegen haar borst drukte om het bloeden vanbinnen te stelpen. 'Ik wist het: hij komt mij ook halen! Hij weet dat ik iets wreed misdaan heb, hij weet het, hij weet het. 't Is al zo lang geleden, maar hij weet het…'
En toen zakte ze kreunend ineen op de witte grond. De hond kwam kwispelend op haar af en snuffelde verwachtingsvol aan de ijle sliertjes wit die ontsnapt waren aan haar haarspelden. Toen hij begreep dat er niets te spelen viel, dribbelde hij weer weg. Iedereen dacht dat er nu twee begrafenissen op één dag zouden zijn, maar het was loos alarm. Zulma was taaier dan dat. Jules tilde haar knokige tachtigjarige lichaam uit de sneeuw, alsof ze niet meer woog dan een magere kat, en droeg haar het huis binnen. Niet het hare, nee, want dan zou ze zeker weer een appelflauwte gekregen hebben. Hún huis, de herberg. En daar mocht Josephine later die nacht Zulma een druppel inschenken, eentje uit de verboden kast. Een elixirtje. En nog eentje, want het deed Zulma deugd. Josephine had er eerst voorzichtig de platte gerimpelde streep waar ooit Zulma's lippen hadden gezeten mee bevochtigd, tot ze weer een beetje bij haar positieven kwam. En vanaf dat moment kon Zulma het zeer goed alleen af: bij elk slokje smakte ze wel honderd keer, waarbij haar tandeloze mond zich telkens tot tegen haar neus terugtrok. Ze keek een beetje verward en concentreerde zich met waterige oogjes op de inhoud van het glaasje, niet goed wetend of ze nu mocht genieten, of beter een beetje zou kreunen en kermen. 't Was maar dat het haar zo smaakte.
Het was mis met Dorus, en het bleef mis. De stijfheid ging niet meer weg, ook de volgende dag niet. Het waren waarschijnlijk de medicamenten, die iets vreemds met zijn spieren deden, zo zei de dokter. Tegen de tijd dat hij de kist in moest, zat er niets anders op dan Dorus in tweeën te zagen. Het was niet de bedoeling dat het arme Zulma ter ore zou komen, maar Zoë - dat eeuwig kletswijf - kon weer niet zwijgen. Door haar schuld begaf Zulma's vermoeide hart het voorgoed. Ach, het zal zeker niet alleen van de schrik geweest zijn. Ze was al zo oud.
Niemand heeft haar ooit kunnen vragen wat ze dan zo 'wreed misdaan' had. En iedereen die het had kúnnen weten was waarschijnlijk allang dood. Zulma werd naast Dorus begraven. Er zat precies één week tussen. De sneeuw smolt razendsnel weg en dagenlang zochten smalle smerige riviertjes hun weg tussen de kinderkopjes in de straten. En toen werd het lente.
[terug]

 

De pers over dit boek [terug]

'Net als in haar vorige boeken slaagt de auteur erin een tijdsbeeld op te roepen met sterk visuele beelden. De openingsscène zou zo uit een van de door Josephine bewonderde filmklassiekers kunnen komen. Opvallend is ook haar intimistische stijl en haar oog voor lichaamstaal. ,,Zijn ogen glijden nog een keer door de ruimte en blijven dan op haar rusten. Ze heeft te veel lichaam. Haar armen vinden geen rust: loshangend, gevouwen, op de rug, altijd zijn ze te veel.'' Op een subtiele manier betrekt de auteur de lezers bij het verhaal: ze kunnen zelf afleiden hoe de personages zich voelen.'
(Jan Van Coillie in De Standaard der Letteren)

'Vereecken maakt van Fien een boeiend personage: baldadige vrolijkheid moet de geheime kwetsuren camoufleren.'
(Annemie Leysen in De Morgen)

'Wreed schoon van Kathleen Vereecken is een knappe historische roman over het leven van een jong meisje, vlak na de Eerste Wereldoorlog. … Alhoewel Josephine in een totaal andere tijd leefde dan de onze, worden haar ervaringen, emoties en dromen heel realistisch en herkenbaar beschreven.'
(Anita Wuestenberg in De Bond) [terug]