Kathleen
Vereecken










 

 

 

 

Ik ben geboren op een decembernacht in 1962. Het vroor stenen uit de grond, wekenlang. De ijsbloemen op de binnenkant van het slaapkamerraam van mijn ouders wilden van geen wijken weten. In het wiegje naast hen lag ik, ingeduffeld als een poolreiziger en geflankeerd door twee warmwaterkruiken. Pas toen het nieuwe millennium met veel toeters en bellen ingeluid werd, en iedereen zich amuseerde met het opzoeken van 'eeuwrecords', bleken de sterke verhalen van mijn ouders niet overdreven te zijn: de winter 1962-1963 ging de geschiedenis in als de koudste van de eeuw. Geen wonder dat ik nog steeds zo'n koukleum ben.

'Ons viermeisjeshuis' noemde mijn moeder het gezin waarin ik opgroeide wel eens. Een kiekenkot, vond ik zelf. Want er werd behoorlijk wat afgekakeld bij ons thuis. Ik was de oudste, en daar was ik lang niet altijd gelukkig mee. Je moest zo verstandig, flink en voorbeeldig zijn, en dat was ik ook: vreselijk braaf en verantwoordelijk. Dat heb ik wel eens jammer gevonden, want het klinkt zoveel sympathieker als je kan vertellen dat je een ongelooflijke schavuit was, een ondeugende durfal, die zich van het ene spectaculaire avontuur in het andere stortte. Niet dus. Pas in mijn tienerjaren kwam er wat stoutigheid aan de oppervlakte, maar ook dat is niks bijzonders.

Ik moet een jaar of zeven geweest zijn toen ik voor het eerst de film Mary Poppins zag. Bert die met krijtjes prachtige droomlandschappen tekende op het trottoir en er samen met Mary Poppins en de kinderen Banks insprong. Iets mooiers kon ik me niet voorstellen. Ik ging meteen aan de slag. Op het terras achter ons huis tekende ik de mooiste wereld die ik me maar kon voorstellen. Toen stak ik een paraplu op, sloot mijn ogen, verzon een bezwerende toverformule en sprong. En nog een keer, beter geconcentreerd ditmaal. En dan nog een keer. Tot mijn voeten pijn deden.

De tekening heeft me niet geholpen, de letters deden dat gelukkig wel. Het begon met lezen. Van zodra ik dat kon, las ik alles wat ik maar in handen kreeg: van Hup, Claudia! tot Sjakie en de chocoladefabriek, van Pitty op kostschool tot Schoolidyllen, van Heidi tot Wiplala. Lezen werd de sleutel tot reizen in tijd en ruimte. En het werd nog beter. Ik ontdekte dat ik ook door het schrijven van verhalen in een heel andere wereld terechtkwam. Een wereld die zo echt leek, dat ik al het andere erdoor vergat. Mocht ik niet leren paardrijden van mijn ouders? Geen nood. Ik maakte een boek: links tekst, rechts tekeningen. Over een meisje dat wél mocht leren paardrijden. Toen ik veel later - als volwassene - de felbegeerde paardrijlessen nam, moest ik vaststellen dat het op geen enkel moment kon tippen aan het plezier dat ik als meisje van acht beleefd had toen ik met het puntje van mijn tong uit mijn mond dat kleine boekje schreef.

Toen ik jong was wilde ik dolgraag lesgeven. Nederlands en Engels waren mijn lievelingsvakken, dus volgde ik een lerarenopleiding. Een opleiding die toen jammer genoeg niet meer was dan een snelweg naar de werkloosheid. Met pijn in het hart stelde ik vast dat ik nooit voor de klas zou kunnen staan, en met evenveel pijn in het hart heb ik jarenlang kantoorwerk gedaan. Ik, die als kind altijd met grote stelligheid beweerd had: 'Eén ding zal ik later nooit of nooit doen, en dat is kantoorwerk!' 'Nooit' is om voor de hand liggende redenen zo een van die woorden die ik zelden nog gebruik. Behalve bijvoorbeeld in deze zin: laat je dromen nooit zomaar los. Dat heb ik ook niet gedaan. Ik schreef een boek, en had het geluk een uitgever te vinden. En omdat ik van boeken alleen niet kon leven, ging ik ook als zelfstandig journalist aan de slag. De zekerheid van een vaste job heb ik ingeruild voor de onzekerheid van het schrijversbestaan, in de ruimste zin van het woord. En ik heb er nog geen seconde spijt van gehad.