Kathleen
Vereecken










 

 

 

Kleine Cecilia

Querido, 1999
+ 12
ill. André Sollie

Klik hier voor een fragment

De pers over dit boek

Cecilia is elf en niet veel meer dan tachtig centimeter groot. Ze groeit niet meer. Omdat ze op de boerderij eerder in de weg loopt dan mee kan helpen, verkoopt haar moeder haar aan de kermisgast Oscar.
Nu krijgt Cecilia een prinsessenleven: ze treedt op, ze danst en zingt op de kermis, en krijgt lekker eten. En zo jong als ze is verdient ze haar eigen boterham. Maar het grote poppenhuis waarin ze woont lijkt wel te krimpen… zou ze nu toch groeien? Wat moet er van haar worden als ze niet meer op de kermis kan werken?
En dan verschijnt Alice ten tonele. En met Alice komt ook het verlangen naar haar moeder terug.

 

Fragment [terug]

Cecilia houdt haar handen op haar rug en leunt achterover tegen het grote, houten poppenhuis. Het tikken van de regen tegen het tentzeil rolt af en aan, als de golven van de zee.
De zee.
Ze heeft de zee één keer gezien, toen de kermis op de dijk van Oostende stond. Het was valavond, want overdag mag ze niet naar buiten. Een zwart-opbollende muur leek het wel in het halfduister, oneindig groot en sterk. Maar het mooist van al was wat ze hoorde: dat golvende ruisen, zo sterk en voorzichtig tegelijk. Die ingehouden kracht, waardoor ze het gevoel kreeg dat de zee zich intoomde, speciaal voor haar. Alsof de zee wilde zeggen: 'Ik kan veel harder en bozer tekeergaan. Maar ik doe het niet. Ik kan je in één klap neerslaan, je helemaal opslokken. Maar ik doe het niet.'
Zo'n ontzag voor iets of iemand had Cecilia nooit eerder gevoeld. Het was de eerste en de enige keer. Wel een uur, misschien nog langer, is ze blijven staan. Doodstil, helemaal alleen. Om nooit meer te vergeten.

Het is pikdonker. Onafgebroken staart Cecilia voor zich uit in het niets. Het zwart wordt nog zwarter en vormt een tunnel die haar meezuigt. Ze rilt van welbehagen. Staren in het niets geeft soms een vreemd, pretig gevoel. Alsof je heel even geen deel meer uitmaakt van deze wereld.
'En dan nu, dames en heren...' klinkt het ergens vanuit de verte.
Cecilia knippert met haar ogen. Met een stuntelige pianoroffel probeert Oscar de spanning bij het publiek ten top te drijven. De klanken botsen dof tegen de wanden van de tent. Voor de eenendertigste keer vandaag. Ze heeft goed geteld. Snel gaat ze rechtop staan. Voor de eenendertigste keer vandaag.
'... hier komt het meisje dat kleiner is dan haar naam: prinses Maria-Elisabetta!'
Het zwart voor Cecilia splijt open en ze wordt overspoeld door het gele licht van de gaslantaarn. Haastig grijpt ze haar rokken aan weerskanten bij elkaar en maakt een diepe buiging. Niemand ziet dat het licht haar verblindt. Niemand ziet dat haar buiging niet echt elegant is. Daar doet ze allang geen moeite meer voor, in ieder geval niet aan het begin van haar optreden. De ruimte wordt gevuld met veel oh's en ah's op het slappe koord tussen verrukking en afgrijzen. Cecilia tovert een brede glimlach op haar gezicht, zonder vanbinnen iets te voelen. Niemand ziet dat haar ogen niet meelachen.
'Moeder, wat is ze kléin!' roept een kind uit het publiek.
De woorden glijden over Cecilia heen, als water over een eend. Drieëntachtig centimeter onverschilligheid. Een kleine ijskoningin. Die glimlach laten bevriezen en gewoon doorgaan, zoals altijd.
Oscar zet een vrolijk deuntje op de piano in. Cecilia ademt diep en begint te zingen. Het is een oud volksliedje over een grote, forse vrouw die een man zoekt, maar er geen vindt. Cecilia weet precies hoe het zal gaan. Waneer ze haar fijne, hoge stem voor het eerst laat horen, zakt hun mond open. Gewoon blijven glimlachen. Wanneer ze nijdige boksbewegingen naar Oscar maakt, terwijl hij haar bij haar kraag dreigt op te tillen, schateren ze het uit. Nu mag ze boos kijken. Dat is gemakkelijker. En wanneer ze op het einde zingt over 'zoentjes op al mijn kaken', en - met de rug naar de zaal - haar rokken helemaal optilt, roepen, fluiten en applaudisseren ze. Weer glimlachen, over haar schouder ditmaal. Dit onderdeel haat ze. Maar het moet van Oscar, en hij is de baas.
'De mensen zien dat graag,' zegt hij altijd.
Niemand heeft gehoord dat ze écht kan zingen.
Haar ogen zijn nu aan het licht gewend. Op de eerste rijen ziet ze zwarte kleren en hoeden. Veel te hoge hoeden, die het zicht van de mensen achteraan belemmeren. Het eersteklaspubliek. Zij hebben een paar centen meer betaald dan het fabrieksvolk op de achterste rijen.
Een jongetje springt vanaf de eerste rij naar voren. Hij wil Cecilia vastpakken. Verschrikt deinst ze achteruit. De jongen kijkt naar haar met gulzige ogen, alsof ze het zoveelste speeltje is voor zijn verzameling. Een pop om tussen de tol en de soldaatjes te zetten. Hij kijkt niet eens echt naar haar, niet alsof ze leeft.
'Ik wil haar vóélen!' eist hij, terwijl hij naar zijn moeder kijkt.
'Nee!' roept Cecilia. Met haar ogen zoekt ze steun bij Oscar. Ze wil optreden, zingen, dansen, kunstjes vertonen en zich met de billen bloot vernederen. Maar ze wil niet aangeraakt worden. Nooit en door niemand. En zeker niet door dit kind.
De vrouw opent veelbetekenend het tasje op haar schoot en laat er haar gehandschoende hand op rusten. Tussen haar vingers door glinstert een zilverkleurige portemonnee. Vanonder haar voile kijkt ze Oscar met een misprijzend glimlachje aan. Oscar draait zijn hoed achterstevoren en kijkt een beetje gegeneerd weg, naar de toetsen van zijn piano. Hij glimlacht ook. Cecilia krimpt ineen. Ze kent die glimlach. Een beetje verlegen, op het eerste gezicht, maar vol slecht weggemoffelde verwachting. Het is de glimlach van een slechte leugenaar. Of van iemand die geld geroken heeft. Hij maakt een nauwelijks merkbare hoofdbeweging naar de vrouw. De jongen krijgt een gretige grijns op zijn gezicht en strekt de armen uit om Cecilia aan te raken. Weglopen heeft geen zin. Ze zou toch maar ruzie krijgen met Oscar. Vol afgrijzen sluit Cecilia haar ogen. Het is alsof ze in een ijspegel verandert. Ze wordt betast en opgetild. Ze zal geen krimp geven, geen spiertje ontspannen. En hem aankijken al helemaal niet. Het zal zijn alsof hij een porseleinen pop vasthoudt. De jongen voelt het. Snel zet hij haar terug op de grond en stapt achteruit. Hij kijkt verdwaasd en teleurgesteld.
En dan valt het doek. Alles wordt weer veilig zwart.

Cecilia laat zich vermoeid tegen het poppenhuis neerzakken. Nu ze haar lichaam weer ontspant, doet het overal pijn. Er is nog even een druk gestommel aan de andere kant van het gordijn, maar daarna wordt het stil. Ze hoort Oscars voetstappen dichterbij komen. Met een grote zwaai trekt hij het gordijn opzij.
'Dag prinses!' zegt hij met een brede glimlach.
Cecilia haalt de schouders op en kijkt weg.
'Hola, ze is kwaad op mij...' grinnikt Oscar.
Cecilia doet alsof ze hem niet hoort en kruipt veilig weg achter de muren van haar poppenhuis. Een schijnhuis met een volledige voorgevel, alsof er een heleboel kamers achter zitten. In werkelijkheid is het één grote ruimte met een klein bed en een kleine kast. Dat is alles. Het gezicht van Oscar verschijnt voor het bovenste raampje.
'Zeg, prinses,' probeert hij, 'we gaan toch niet flauw doen, hè...'
'Ik ben geen prinses,' antwoordt Cecilia zacht.
Oscar trekt grote verwonderde ogen. 'Voor mij wel! Voor de mensen wel!'
Cecilia kan een kort schamper lachje niet onderdrukken. De mensen! Het ontgaat Oscar niet. Er verschijnt een diepe rimpel tussen zijn wenkbrauwen.
'Jaja, haal je neus er maar weer voor op,' gromt hij. 'Je hebt ze anders wel nodig, de mensen. Zonder de mensen zou jij niemand zijn. Helemaal niemand, prinses.'
Alle scherts is uit zijn stem verdwenen. 'En je hebt ook mij nodig, vergeet dat niet.'
'Mis, Oscar, helemaal mis,' reageert Cecilia fel, 'jíj hebt míj nodig!'
De rimpel tussen Oscars wenkbrauwen trekt weg. Het blijft een hele tijd stil. Net op het moment dat Cecilia wil vragen of hij zijn tong kwijt is, klinkt het zacht: 'Nu ja, misschien hebben we elkaar wel nodig...'
Hij ziet er verslagen uit. Verslagen en moe. Hij is ook niet meer zo jong. En het kermisseizoen begint zijn tol te eisen.
'Rust nu maar een beetje,' zegt hij.
En dan verdwijnt zijn gezicht van voor het raampje. Cecilia strekt zich uit op het kleine bed en staart naar het houten plafond van haar poppenhuis. Ze voelt zich slecht, schuldig. Het is alsof er zich een dikke prop watten in haar maag genesteld heeft. Ze moet geduldiger worden. Oscar is geen slecht mens. Hij geeft haar alles wat ze nodig heeft. Hij probeert ook maar zijn boterham te verdienen, zoals iedereen. En het is waar: zonder hem leefde ze nog steeds op het armoedige boerderijtje. Waar ze alleen maar bespot werd en haar familie tot last was. Het werd haar nooit met zoveel woorden gezegd, maar ze kon het voelen. Aan de manier waarop ze naar haar keken, of niet naar haar keken. En aan de manier waarop ze tegen haar praatten. Of niet tegen haar praatten. Iedereen werkte hard op het land, maar aan haar hadden ze niets. Veel te klein en te broos voor het zware boerenleven. Een teer poppetje, grappig om naar te kijken. Maar zo nutteloos. [terug]

 

De pers over dit boek [terug]

'Met sobere, maar erg herkenbare beelden roept ze het onzegbare van gevoelens en indrukken op.'
(Jan Van Coillie in De Standaard der Letteren)

'Dit verhaal in beknopte en rake stijl boeit omwille van de originele setting. Kleine Cecilia biedt tegelijk ook interessante en eerlijke bedenkingen bij het ruime thema van 'anders-zijn'. Auteur Kathleen Vereecken speelt ingenieus met de wisselwerking van binnen en buiten, verstikkende ingeslotenheid maar even verwarrende vrijheid.'
(Katrien Vloeberghs in Leesidee)

'In dit boek suggereert Kathleen Vereecken onuitspreekbare gevoelens met behulp van allerlei zintuiglijke indrukken. De geuren van kruiden, vers zweet, brood en karnemelk hebben alles met Cecilia's eindeloze verlangen naar haar moeder te maken. De dialogen klinken authentiek, zonder een zweem van ergerlijk streekroman-Vlaams.'
(Annemie Leysen in De Morgen)

'Vereecken heeft een talent haar hoofdpersonen met gevoel, maar zonder overdreven sentimenten zo te beschrijven dat je ze niet snel vergeet.'
(Selma Niewold in De Volkskrant) [terug]