Kathleen
Vereecken










 

 

 

Ik denk dat het liefde was

Lannoo, 2009
+ 15
omslag Studio Lannoo

Klik hier voor een fragment

De pers over dit boek

Italiaans

Duits

Frans

Toen de beroemde schrijver en filosoof Jean-Jacques Rousseau in 1762 Emile ou de l'éducation - een baanbrekend boek over opvoeding - schreef, wist niemand dat hij zijn vijf eigen kinderen op de dag van hun geboorte naar een vondelingentehuis had gebracht. Dit boek vertelt het verhaal van zijn oudste zoon: hoe het had kunnen zijn.

Leon groeit op als vondeling in de Morvan. Gelukkig is er Méline, haar warmte maakt alles draaglijk. Wanneer zij doodgaat, is Leon voor het eerst echt alleen. Ondanks het gemis weet hij dat hem maar een ding te doen staat: leven.
In de woelige onderbuik van Parijs raakt hij in de ban van lezen en schrijven. En van de gekte die liefde heet. Wat hij nog niet weet, is dat zijn moeder binnenkort zijn pad zal kruisen. Maar als hij ontdekt wie zijn vader is, wordt hij pas echt kwaad.

 

Fragment [terug]

Zonder Méline had ik nooit geweten wat het betekent lief te hebben. Zij nam me in haar armen toen ik twee dagen oud was en liet me niet meer los tot ik negen was. Toen ging ze dood en liet me achter met een veel te zacht hart in een wereld die ik niet kende.
Ze had het beter niet gedaan, me liefhebben. Ze had me beter niet omhelsd en gezegd dat ik haar liever was dan haar echte broers. En dat ze me nooit, nooit, nooit zou verlaten. Ze had me de waarheid moeten vertellen, maar dat deed ze niet. Ze liet me geloven dat alles mooi en goed was en dat mensen als haar moeder zeldzaam waren. Ze had me de waarheid moeten vertellen, al was het maar om me te wapenen tegen alles wat me te wachten stond. Vooral daarom.
Ik heb klappen gekregen die mijn hart deden bloeden, en beetje bij beetje vormde zich een korst. De schoppen en de slagen die ik kreeg, duwden de deur naar mijn ziel steeds verder dicht. Maar de herinnering aan Méline stak er ongemerkt een voetje tussen, zodat er altijd een kier bleef waardoor bijtende kou of de kruidige lucht van een zomerdag naar binnen konden glippen. Ik heb haar er beurtelings om vervloekt en aanbeden.

Op een late decemberdag in 1746 werd ik samen met een stuk of tien andere pasgeborenen naar de Morvan gebracht. Vondelingen, achtergelaten in de kapel van het Hôtel-Dieu aan de oevers van de Seine in Parijs. Of als een pakketje in bewaring gegeven, tot later, als het weer goed zou gaan met de ouders. Het was een later dat er voor de meesten onder ons nooit zou komen. Toen de koetsier aankwam bij het huis van Annette Marcelot, mijn voedster, aan de rand van het gehucht Pierre-Perthuis, leefden drie van de pasgeborenen niet meer. Alle anderen zouden binnen het jaar sterven. Alleen ik bleef over.
Ik leefde en bleef leven, al heb ik later soms gewenst dat het anders zou zijn gelopen. Ik heb me lang afgevraagd of er een Hoger Plan was. Of ik misschien voorbestemd was voor grootse dingen. Maar het kan ook een gril van de natuur zijn geweest of een misplaatste grap van God, al moet ik bekennen dat ik Hem nooit verdacht heb van enig gevoel voor humor. Of misschien toch één keer: op het moment dat ik mijn naam kreeg. Iemand heeft het in zijn idiote hoofd gehaald me een naam te geven die even lachwekkend is als een koe met een strik in haar staart: Dieudonné. Ik was een geschenk, godbetert. Een godsgeschenk. Ooit zou ik erom kunnen lachen.

De lucht was dik en grijs die eerste dag en het was zo koud dat de stemmen van de mensen in een wolk gevangen werden. Tenminste, dat was hoe Méline het zich herinnerde. ‘Ik kon niet eens roepen,’ zei ze, ‘ik opende mijn mond en het geluid werd tegengehouden door de kou. Ik zei alleen maar ‘‘ah’’. Toen werd mijn stem een wolk en verdween in de lucht.’
‘En je zei ‘‘ah’’ omdat je mij zag, voor het eerst’, vulde ik haar verhaal aan, want ze had het me al wel honderd keer verteld en nog steeds kon ik er niet genoeg van krijgen. Alles wat ik weet over die tijd, komt van Méline.
‘Je was heel klein en bleek,’ zei ze, ‘veel mooier dan die roodpaarse mormels die je soms ziet. En je huilde ook niet.’
De waarheid was dat ook ik nauwelijks leefde op dat moment en daardoor kwam ik bij Méline terecht, want Annette dacht dat zo’n bleek en stil kind weinig last zou geven. Ze brachten me naar binnen, spreidden een paardendeken open bij het vuur en probeerden me tot leven te wekken.
‘Ik ademde op je handen en voeten en wreef je zo hard en zacht als ik maar kon’, vertelde Méline, ‘en moeder druppelde wat melk uit haar borst tussen je lippen. Maar je bewoog helemaal niet. En toen zei moeder dat je dood was.’
Maar Méline was met haar acht jaar koppiger dan een steenezel. Ze pakte me op, busselde me weer in, hield me tegen zich aan en wreef opnieuw zo hard en zacht als ze maar kon. Ze liep rondjes met me door het hele huis – en dat waren natuurlijk kleine rondjes want het huis stelde niet veel voor – wiegde me en zong. Tot ze haar vreugdekreet slaakte: ‘Hij pist! Goddank, hij pist!’
Ik deed nog wel meer dan dat. Ik ademde, heel kort en snel, dronk een klein beetje van Annettes melk en scheet mijn hele luier vol. Zo vertelde Méline het graag en dan bloosde ze erbij.
In mijn luier vond ze een kaart met daarop het cijfer acht. Een kaart van mijn moeder wellicht, een herkenningsteken voor als ze me ooit terug zou willen vinden. Niemand begreep wat die acht betekende. Ik was niet op de achtste geboren, het was ook niet de achtste maand. Was ik het achtste kind misschien? Méline kon er uren over doorgaan, maar mij kon die acht nooit veel schelen. Het was helder en duidelijk: wie koos voor zo’n simpel en onbenullig teken, wílde me niet terugvinden. Iedereen, zelfs een ongeletterde, kon een acht vormen. En wie me niet wilde terugvinden, was het niet waard dat ik ooit naar haar op zoek zou gaan. Toch drukte Méline me elke keer weer op het hart dat ik de kaart bij me moest houden, dat ik ze nooit kwijt mocht raken. Ooit zou ik blij zijn dat ik naar haar geluisterd had, daar was ze zeker van. [terug]

 

De pers over dit boek [terug]

'Bij het lezen van dit boek stond ik dikwijls in pure bewondering stil bij de vertel- en schrijfkunst van Kathleen Vereecken! Dit boek is echt een pareltje waarbij je bepaalde zinnen wilt herlezen om ze nog eens te proeven, zo mooi.'
(Hilde Umans, Pluizuit)

‘Leon is een schitterend personage. Deze ontwapenende, dappere jongen die hunkert naar liefde en tegelijk de liefde afwijst, een stevig eitje te pellen heeft met God en zich ondanks alle ellende verbeten vastklampt aan het leven, verovert meteen een plaats in het hart van de lezer …  Het achttiende-eeuwse Frankrijk wordt sfeervol, zelfs plastisch geschetst. Vereecken heeft heel wat historische informatie binnengesmokkeld, zonder dat het artificieel overkomt. Ze verrast ook met trefzekere formuleringen en mooie beelden, zoals: 'Taal was een elegant voertuig voor gevoelens en gedachten. De waarheid was dat mensen zich daardoor maar al te graag lieten verblinden. Ze verkozen een middelmatige wijn in een kristallen glas boven een uitstekende wijn in een beker. Dus sleep ik mijn woorden en zinnen tot fijn kristal.'
Dat is ook wat de schrijfster heeft gedaan. Ik denk dat het liefde was is een bijzondere jeugdroman, verteld in woorden en zinnen van het fijnste kristal.’
(Veerle Vanden Bosch in De Standaard)

'Vereecken tekent een fascinerend beeld van Frankrijk tijdens de 18de eeuw. Het plattelandse dorpsleven, het schrijnende contrast tussen de rijke, gepruikte en welriekende bourgeoisie en de stinkende underdogs in Parijs, de 'verlichte' sfeer, de disputen tussen Voltaire en Rousseau, het wordt allemaal erg geloofwaardig en plastisch in het verhaal verweven... Met verteller en hoofdrolspeler Leon zet Vereecken een overtuigend personage neer. In een sobere no-nonsensestijl doet hij het relaas. Bang en onzeker, schamper en nuchter tegelijk observeert hij met zijn 'gevaarlijke zigeunerogen' een verwarrende wereld en komt hij langzaam maar zeker los van de obsessies en trauma's uit zijn kindertijd. De roman zit slim in elkaar. Elk deel wordt voorafgegaan door een citaat uit Emile, ou de l'éducation, het ophefmakende pedagogische boek van Rousseau uit 1762. Een handige ingreep, die de theorieën van een vader, die zijn vijf pasgeboren kinderen te vondeling gaf, ingenieus op de helling zet. De liefdeloze kindertijd van de antiheld heeft weinig van doen met uitspraken als deze: "Er is maar één goede manier om de onschuld van een kind te bewaren, dat is hem te omringen met mensen die hem respecteren en liefhebben." Op die manier schreef Vereecken met Ik denk dat het liefde was een heel eigen Emile. Op het eind schuift Leon het boek van zijn vader van zich af: "Ik was Emile niet. Ik was sterker. Ik wist het beter. (...) Het leven zelf had daarvoor gezorgd. Ik had mezelf opgevoed." Een boeiende roman, die een stuk geschiedenis in een verrassend perspectief zet.'
(Annemie Leysen in De Morgen)

‘Wie ooit gegrepen werd door de kleurige portretten, de historische decors en de beeldrijke taal in het werk van Kathleen Vereecken, zal niet aarzelen om Ik denk dat het liefde was open te slaan. Na de laatste bladzijde volgt een mooie beloning: het gevoel van een intense leeservaring …  Haar historische interesse vertaalt Kathleen Vereecken in een sterk evocatieve stijl. Locaties en tijdgeest komen in zintuiglijke beelden tot leven. De pen van een journaliste is in kleuren en geuren gedoopt, maar ieder beeld of iedere beschrijving staat in functie van het personage …  Alle personages zijn sterk evocatief getypeerd. Met respect voor hun 18e-eeuwse ideeëngoed en handelingen, zijn hun emoties universeel, hedendaags en zeer inleefbaar …  Ik denk dat het liefde was is geen zoektocht naar de man Rousseau en zelfs geen roman over zijn drijfveren. Het is een verhaal vanuit een niet-traditionele hoek, een eigenzinnige en kritische kijk op een beroemdheid uit de geschiedenis. Een beeldende en rijke roman die aanleiding tot filosoferen geeft. En was dat dan toch geen drijfveer van Jean Jacques Rousseau?’
(Jet Marchau in De Leeswelp; het volledige artikel lees je hier)

'Deze historische roman is een pareltje van vertelkunst. In de drie delen, telkens ingeleid door een citaat van Rousseau, word je als lezer meegenomen naar het Frankrijk van de achttiende eeuw, met zijn bittere contrast tussen schrijnende toestanden van armoede en de decadente levenswijze van de elite, wat door de auteur pijnlijk accuraat beschreven wordt... Laat één van de mooiste jeugdboeken van 2009 dus niet ongelezen.'
(Ilse Trimborn, Pluizer)

'Boeiende jeugdroman waarin met prachtig, beeldend taalgebruik een sfeervolle, plastische schets wordt gemaakt van het 18e-eeuwse Frankrijk, met name het leven in Parijs. De personages worden sterk en invoelbaar neergezet. Deze prachtige jeugdroman zal vooral door fijnproevers vanaf ca. 14 jaar, beslist niet jonger, worden gewaardeerd.'
(Cecile J.M. Zonnenberg-Benerink, NBD/Biblion)

'Nog maar zelden heb ik de scheidingslijn tussen een jeugdboek en een roman voor volwassenen zo dun ervaren! Vereecken hanteert een suggestieve, zintuiglijke stijl. Bij het lezen ruik je bijna de lijkengeur van het kerkhof en voel je haast de modder en het vuil in de straten aan je voeten. Het is een meeslepend verhaal dat je nog dagen na de lectuur ervan bezighoudt. Het kan worden gelezen als één groot avontuur van een fascinerend personage, maar het is zoveel meer. In wezen is het een verhaal over de liefde, zoals de titel terecht aangeeft. Het is ook een knap historisch verhaal. De auteur schetst een haarscherp beeld van het leven van gewone mensen in het achttiende-eeuwse Parijs. En dat doet ze in een mooie, beeldende taal.'
(Anita Wuestenberg in De Bond)

[terug]