Kathleen
Vereecken










 

 

 

Alle kleuren grijs

Standaard Uitgeverij, 1997
+ 12
ill. Piet De Moor

Klik hier voor een fragment

De pers over dit boek

De veertienjarige Charlotte groeit op in het grauwe 19de eeuwse Gent. Samen met haar ouders, broers en zusje woont ze in een beluik. De barre werkomstandigheden, de slechte huisvesting en de nietsontziende armoede maken het leven - bijna - uitzichtloos.
Door de ontmoeting met Karel, een drukkerszoon die 'slechts' halve dagen moet werken en nog school mag lopen, maakt Charlotte kennis met het opkomende socialisme, de strijd tegen kinderarbeid, de strijd voor algemeen stemrecht (voorlopig alleen voor mannen) en de leerplicht.
Voor dit boek inspireerde Kathleen Vereecken zich op het leven van haar overgrootmoeder, die als kind van zeven al ging werken in een vlasspinnerij.

 

Fragment [terug]

Gent, 1889

Charlotte ligt roerloos op haar zij. Ze gluurt slaperig tussen haar wimpers en luistert naar de holle stilte in het beluik, een stilte van dichtopeengepakte huizen en kale kasseien.
Nog even mag ze blijven liggen, weet ze, nog heel even. Dit is het mooiste moment van de dag. Dit en het slapengaan. Het bed is een klein warm nest waar ze net als drie mooi uitgesneden puzzelstukjes in passen. Jan tegen de muur, zijzelf aan de andere kant van het bed en Fientje tussen hun gebogen lichamen in, als in een levende kelk. Heerlijk warm in de winter, maar om ziek van te worden in de zomer. Dan slapen Charlotte en Jan liever op de plankenvloer, zodat Fientje als een kleine prinses het bed voor zich alleen heeft.
In het vale maanlicht zien Jan en Fientje er nog witter uit dan anders. Hun borst gaat in een vaste cadans op en neer: die van Jan diep en langzaam en die van Fientje precies tweemaal zo snel en heel licht, als van een vogeltje.
Charlotte sluit de ogen en kromt zich nog wat steviger om het warme kinderlijf heen. Alleen het nu bestaat: warmte, ademhaling en een geruststellende hartslag, onverstoorbaar en eindeloos.
Wanneer de zoldertrap kraakt, spant Charlotte haar lichaam en knijpt ze haar ogen hard dicht. Is het al vijf uur? Haar lichaam schreeuwt om meer slaap. Misschien droomt ze maar, misschien heeft ze het gekraak niet echt gehoord.
Bert, Lotte,' klinkt de stem van vader, ''t is tijd.'
Er komt een zacht gegrom vanuit de hoek waar Bert slaapt. Als oudste jongen van het gezin heeft hij een smalle matras voor hem alleen.
Voorzichtig maakt Charlotte zich van de twee slapende kinderen los. Ze wil rechtop gaan zitten, maar wordt tegengehouden door haar eigen linkervlecht, die helemaal om Fientjes hand gewikkeld zit. Voorzichtig maakt ze de klamme kinderhand los, vinger voor vinger, zonder het kind wakker te maken. Op haar tenen loopt ze naar Bert en ze port zachtjes met haar voet in zijn zij.
'Kom Bert,' fluistert ze, 'ge kent Stevens...'
Bert kreunt en mompelt iets lelijks, waarna hij zich loodzwaar en met zichtbare tegenzin overeind hijst. Een beter argument dan Stevens, de meesterknecht van de vlasspinnerij, is er niet, weet Charlotte. In het beste geval komen telaatkomers er met een klinkende oorveeg af, maar soms geeft hij boetes van wel vijfentwintig centiem, en dat zou hun moeder onvergeeflijk vinden. Vijfentwintig centiem. Dat is drie uren werken. Dat is een heel brood, zelfs meer...
Charlotte probeert rillend de ochtendlijke kilte van zich af te schudden. Heel snel trekt ze haar wollen kousen en rok aan en wikkelt de dikke gehaakte sjaal om haar bovenlichaam. Beneden is het beter, al is het maar voor even. Er staan drie drinkbussen chicorei en drie blikken broodtrommels klaar: ontbijt en middageten samen. Charlotte neemt zich voor vandaag voorzichtig om te springen met haar rantsoen. Gisteren had ze zo'n onbeschrijflijke reuzenhonger, dat ze haar vier boterhammen al tijdens de ontbijtpauze naar binnen had ge- werkt. En om twaalf uur grolde haar maag alweer onbedaarlijk. Gelukkig had Ciska haar eens van haar boterham laten bijten, anders was ze in de loop van de middag beslist van haar stokje gegaan.
Charlottes moeder zet zwijgend een teil water neer op de tafel. Charlotte vormt een schelp met haar handen en gooit snel wat water over haar gezicht, nek en achter haar oren.
'Zo zal het wel gaan, Lotte,' gromt haar vader, "t is geen kermis waar we naartoe gaan.'
'Laat genoeg over voor uw vader en uw broer', vult moeder nadrukkelijk aan. 'Ik heb geen goesting om honderd keer naar die pomp te lopen. Als er te weinig is, kunt ge er zelf bij halen.'
Haar vader maakt een afwerend gebaar. 'Er is wel genoeg...' mompelt hij.
'Ik ga wel', zegt Charlotte terwijl ze de teil neemt. Snel glijdt ze in haar klompen en loopt het huisje uit naar de pomp op de binnenplaats. De lucht is als ijs en snijdt haar de adem af. Ze heeft geluk, want alleen Ciska staat voor haar aan de pomp. Als ze Charlotte in het oog krijgt, knikt ze kort.
'Zijt ge klaar?' vraagt ze. Haar woorden lijken maar nipt te ontsnappen voor de winterlucht haar adem bevriest.
'Bijna,' antwoordt Charlotte bibberend, 'ik klop straks wel op uw deur.'
Terwijl ze wacht, stampt ze met haar voeten op de grond en trekt ze haar sjaal zo stevig mogelijk aan. Dan is het haar beurt. Ze zwengelt de pomp krachtig aan tot een paar harde gulpen water de teil voor de helft gevuld hebben. Haastig loopt ze weer naar binnen, ze zet de teil neer en warmt dan rillend laar handen aan de spaarzaam warmgestookte Leuvense stoof. Moeder schuift een paar haarspelden over de tafel naar haar toe.
'Hier, durf ze niet vergeten'.
Nog zoiets onvergeeflijks: naar de fabriek met loshangende vlechten, en ditmaal niet wegens de boetes, maar uit puur lijfsbehoud. Vorig jaar is een meisje uit het beluik met haar vlechten in een kaardmachine vastgeraakt. Haar hele haardos werd er met hoofdhuid en al afgerukt. Charlottes moeder heeft het meisje gezien, kort nadat het gebeurd was. Ze heeft heel precies beschreven hoe het eruitzag, dat rauwe vlees, die bloederige schedel. En zo kleurrijk als ze het beeld beschreef, even klankrijk beschreef ze het bloedstollende geween en gekrijs van het arme kind, zoals gewoonlijk met pijnlijk veel gevoel voor drama. Charlotte gruwelt als ze aan het verhaal denkt en wikkelt snel haar vlechten om haar hoofd, waarna ze ze zo stevig mogelijk vastmaakt met de spelden. Bovendien heeft moeder gezworen haar helemaal kaal te zullen knippen als ze het zou wagen ook maar één keer met loshangend haar naar de fabriek te trekken.
'Stekelvarkentjescoupe, gelijk uw broer!' heeft ze al meer dan eens met opgestoken vinger gedreigd.
En moeder maakt nooit grapjes, weet Charlotte. Bovendien is haar haar het enige mooie wat ze heeft, dus daar moeten ze afblijven. Het is donkerblond en heel lang, en het krult ook een beetje. Maar meestal is daar niet veel van te zien, want ze mag het bijna nooit los dragen van moeder. Met die vlechten en ongewassen ziet het er dof en gewoon vaalbruin uit. Maar als het wijkkermis is, of processie, of dé gebeurtenis van het jaar, de grote foor op het Sint-Pietersplein, dan mag ze haar haren wassen met bruine zeep. Het glanst dan zo mooi, net goud. En dan hoeven er voor een keer geen vlechten in, maar alleen een mooi vers gestreken blauw of wit lint.
Ze heeft Karel wel voelen kijken, die keer op de processie. Hij kwam altijd bij haar in de buurt rondhangen met zijn onnozelste gezicht en zijn handen diep in zijn broekzakken. En hij keek ook zo anders dan anders, met zo'n willoos glimlachje om zijn mondhoeken en zo'n dwaze glazige blik in zijn ogen. 'Hij ziet u graag' , fluisterde Ciska toen in haar oor.
'Gij!' sputterde Charlotte daarop verschrikt. En toen trok Ciska haar wenkbrauwen veelbetekenend op en kneep haar lippen tot een profijtige dunne streep.
Sindsdien blijft Charlotte een beetje uit Karels buurt. Niet dat ze hem niet graag heeft, maar stel dat Ciska toch gelijk heeft... Nee, graag zien brengt alleen maar miserie. Kijk maar naar Rosa. Zij en de Rosse van de Voetweg zagen mekaar ook zo graag. Ze zit daar nu toch maar met haar kind. En de Rosse weet van niets, zegt hij. De haartjes van het kind zijn nochtans zo oranje als een wortel. Om u dood te lachen eigenlijk, ware het niet dat het voor Rosa zo triestig is. En het ergst van al zijn nog de reacties van de mensen. Dat Rosa een domme geit is en dat het haar eigen schuld is, want ze moet maar zo gemakkelijk niet zijn. Alsof de Rosse niet gemakkelijk geweest is, alsof Rosa al niet genoeg gestraft is. Maar ja, de straten zijn nu eenmaal geplaveid met excuses voor jongens. De meisjes moeten hun plan maar trekken. Nee, dat zullen ze háár nooit aandoen. Met een vastbesloten trek om de mond maakt Charlotte broodtrommel en drinkbus vast aan haar riem. En dan nog moeders zwarte kapmantel eroverheen. Het is de eerste winter dat Charlotte hem mag gebruiken. Hij zit nog wel een beetje ruim, maar dat deert niet. Alles wat extra warmte geeft, is meer dan welkom. Het is hoog tijd om te vertrekken.
'Tot vanavond', wuift ze van ver naar haar moeder. 'Ja', antwoordt die alleen maar, terwijl ze afwezig in Charlottes richting kijkt.
Ze ziet er weer moe uit. En bleek, zo bleek als Hendrikje toen hij dood was. De gedachte geeft Charlotte een schok. Ze zou wel willen vragen of alles goed is, maar daar is nu geen tijd voor. Ciska wacht.
Even later lopen ze stevig gearmd voor de warmte het beluik uit. In het flauwe schijnsel van de gaslantaarns lijkt de winterochtend nog kouder en zwarter. Het is gelukkig maar een goed halfuur stappen naar de vlasfabriek, als ze er tenminste stevig de pas in houden.
De eerste tien minuten wordt er vrijwel niets gezegd. Dat is altijd zo. Ciska heeft ' s morgens een beetje meer tijd nodig om bij haar positieven te komen, en zolang moet Charlotte haar mond houden. Doet ze dat niet, dan is het gegarandeerd mis, dus laat ze het initiatief tot gesprek wijselijk aan Ciska over. Maar nu lopen ze al op de Coupure en Ciska zwijgt nog altijd. Charlotte gluurt opzij. Ciska heeft een verbeten trekje om haar mond en tuurt onafgebroken naar de grond. Aan haar grote benige neus hangt een druppel die ze zo nu en dan weer opsnuift.
'Zeg, wat is er?' vraagt ze ineens geïrriteerd, maar zonder op te kijken. 'Ge kijkt zo naar mij!'
'Mag ik niet, misschien?' reageert Charlotte, half verontwaardigd, half lachend.
Ciska trekt eens met haar schouder.
'Scheelt er iets?' probeert Charlotte voorzichtig. 'Ge zijt nog stiller dan anders.'
Ciska geeft geen antwoord. Verder aandringen heeft geen zin, weet Charlotte. Ciska zou er alleen nog maar knorriger van worden. Nu ze zo dicht tegen de herenhuizen aan lopen, klinken hun voetstappen minder hol, gedempter. Af en toe laat Charlotte haar ogen omhoogglijden langs de prachtige witte gevels. Het is nog heel stil op de Coupure.
''t Rijk volk slaapt nog,' mompelt ze zacht voor zich uit.
'Ja, wat wilt ge,' reageert Ciska onverwacht, 'dat heeft niets beters te doen: slapen, eten, wandelen, een beetje zeveren in 't Frans…'
Charlotte grinnikt. Ze is vooral blij dat Ciska eindelijk een beetje loskomt.
'Wat zoudt gij doen… als rijke mens, bedoel ik,' wil Charlotte weten.
'Van alles kopen, natuurlijk,' blaast Ciska.
'Wat zoal? Wat zoudt ge het eerst van al willen hebben?' Ciska snuift haar neus nog eens op en kijkt nadenkend naar beneden.
'Schoenen, denk ik...'
Ze steekt een mager been met een veel te grote klomp de hoogte in en blijft er kritisch naar kijken.
'Zwarte laarsjes met rijgkoorden, als een echte madame!' En dan lopen ze weer verder. 'En gij?'
'Een fiets,' zegt Charlotte heel beslist, 'en de zondag rij ik met ons Fientje naar de buiten. Dan krijgt die duts eindelijk een beetje kleur op haar wangen...'
'Gij zijt een dure madame. Een fiets kost stukken van mensen.'
'Ik weet het.'
En dan verschijnt er een scheef, monkelend glimlachje op Ciska's gezicht.
'Ge kunt misschien toch maar beter met Karel beginnen vrijen... '
'Zeg, gij weer!'
Charlotte geeft een onzachte ruk aan Ciska's arm.
'Hij heeft toch een fiets... ?' reageert die met haar onnozelste gezicht.
'Ja, en dan?'
Ciska begint luid te lachen.
'Daar, daar! Gij hebt allang geen fietstochtjes meer nodig om kleur op uw wangen te krijgen!'
Charlotte rolt met haar ogen en blijft dan plotseling stilstaan om iets uit de zak van haar rok op te diepen. Met enige moeite trekt ze een zakdoek tevoorschijn.
'Hier gij, snuit eens,' zegt ze kort, terwijl ze hem in de handen van Ciska duwt, 'die snottebel werkt nu al heel de tijd op mijn zenuwen.'
Luid trompetterend doet Ciska wat haar gevraagd wordt.
'Lap, 't rijk volk zal nu wel wakker zijn', zegt Charlotte met een scheef glimlachje.
'Welbesteed,' reageert Ciska kort.
En dan stappen ze verder, zonder nog iets te zeggen.
[terug]

 

De pers over dit boek [terug]

'Het leven in het volkse beluik, met kleine en grote tragedies en vreugdes, honger, ontbering en ziekte, de ontluikende vrouwelijkheid van Charlotte, alles wordt sober en met zin voor het treffende detail beschreven. Een boeiend stuk Vlaamse sociale geschiedenis.'
(Annemie Leysen in De Morgen) [terug]